Vrijheid en respect: zijn er grenzen aan de onverdraagzaamheid ?

Deze week verscheen er in Frankrijk een vertaling van de autobiografie van de Hongaarse Nobelprijswinnaar Imre Kertèsz. Een man die als jongen van 15 jaar de concentratiekampen Auuschwitz en Buchenwald heeft overleefd en daaraan stelling heeft genomen tegen het nog steeds voortsluimerende antisemitisme bij de elite in zijn land. Ook onder het door Kertèsz verafschuwde  communistische regime. De toekenning van de Nobelprijs werd, ook door mij, toch wel een beetje beschouwd als en signaal tegen het weer oplevende antisemitisme en de groeiende intolerantie. Een noodzakelijk signaal. Mij deed de verschijning van de autobiografie van Kertèsz en de gedachte aan de door hem doorstane gruwelen, aan zijn strijd tegen intolerantie en dictatuur denken aan het werk van Eric-Emmanuel Schmitt en wel in het bijzonder aan zijn boek L'Enfant de Noë. Daarin vertelt Schmitt over een Joods jongetje uit Brussel dat in de Tweede Wereldoorlog een schuilplaats vindt in een klooster-internaat. De priester die daar de scepter zwaait heeft in het geheim onder de bij het internaat behorende kapel een kleine synagoge ingericht. Daarin bewaart hij een aantal verzamelde Joodse religieuze voorwerpen, als een soort Ark van Noah van de Joodse beschaving. Ook deed hij mij denken aan een verhaal dat de deze week afscheid nemende rabbijn Soetendorp voor de televisie vertelde. Soetendorp was als klein jongetje tijdens diezelfde oorlog ondergebracht bij een katholiek gezin in het zuiden van het land. Daardoor overleefde hij de oorlog, evenals trouwens zijn ouders en de ouders van het jongetje in het boek van Schmitt. Aan het eind van de oorlog stierf de vader van het pleeggezin echter door een  granaat, terwijl hij met zijn lichaam het Joodse jongetje beschermde.  Een ander verhaal dat mij voor de geest kwam was dat de vader van de voetballer Van Hanegem om het leven kwam toen hij een ander jongetje, een in zijn gezin opgenomen vluchtelingetje, met zijn lichaam beschermde. Het jongetje is nu een bekend hoogleraar. Menselijke grootheid getoond op een klein toneel. Plichtsbetrachting en naastenliefde, respect en tolerantie. Beschaving. In dezelfde week sprak onze minister-president zijn bezorgdheid uit over de eventuele gevolgen van een film van de parlementariër Geert Wilders. We kennen de film nog niet, de inhoud is ons nog onbekend. Als we Wilders mogen geloven zal de film echter gericht zijn tegen de Koran, tegen het geloof van miljarden medebewoners van deze aarde. Respect en tolerantie hoeven we van die film niet te verwachten. Wel domheid en haat, haat en domheid. Alles anders dan beschaving. De staat beschermt Wilders, omdat in onze rechtsstaat ook voor hem de vrijheid van meningsuiting geldt. Maar waar, zo vraag ik mij in ernst en bezorgdheid af, liggen de grenzen van die vrijheid voor mensen die tonen haar niet waard  te zijn ?

Grijsaard